Een paar dagen voor de meivakantie werd een geplande Efteling-excursie voor tachtig minderjarige asielzoekers afgeblazen. Asielminister Faber plaatste een bericht op X: “Ho, dit gaan we dus niet doen.” Het zou gaan om een “snoepreisje naar de Efteling” op kosten van de belastingbetaler. In één pennenstreek veranderden de jongeren van nieuwsgierige pubers in een morele kostenpost. Wat overbleef was een debat over prijskaartjes, draagvlak en ‘het signaal’.
Dat is geen incident, maar een symptoom. In de Nederlandse taal is de mens uit het vluchtelingenverhaal gesloopt.
Wie de Kamer, talkshows of gemeenteraad beluistert, hoort vooral een technieklesje hydraulica: instroom, doorstroom, opvangdruk, sluitstuk grensbewaking. Alsof mensen vloeistof zijn, te reguleren met kranen en buffers. Maar taal is nooit neutraal; zij is ontwerp.
De woorden die we gebruiken – hoe subtiel ook – sturen hoe we denken, voelen en handelen. Cognitiewetenschapster Lera Boroditsky liet in tal van experimenten zien dat woordkeuze ons brein letterlijk anders laat waarnemen. Spreek je over zwermen in plaats van groepen, dan daalt meetbaar de empathie‑score.
Minder empathie maakt uitsluiting eenvoudiger. In het politieke domein krijgt dat vorm als zondebokmechanisme – een term van denker René Girard. In tijden van onzekerheid kanaliseert een gemeenschap haar angst richting een machteloze minderheid. Vandaag is ‘de vluchteling’ de handige bliksemafleider voor woningnood, zorgtekorten en overvolle klassen. Dat is politiek efficiënt, want de échte oorzaken – decennia van bezuinigingen en laissez-faire grondpolitiek – zijn minder mediageniek.
Maar een samenleving die structurele kwesties uitbesteedt aan taal eufemismen, levert uiteindelijk in op democratische eerlijkheid. Wie alles ‘druk’ noemt, praat nooit meer over verdeling.
Van vluchteling naar newcomer
Daarom kiezen steeds meer leerkrachten, wijkteams en werkgevers bewust voor het woord newcomer. Geen wollig synoniem, maar een ander perspectief: niet wie iemand was, maar wie iemand is – en kan worden. Het verlegt de lens van afkomst naar aankomst.
Critici zullen zeggen dat dit slechts semantiek is, een cosmetisch pleistertje op structurele wonden. Maar dat is een misvatting. Taal is geen versiering, maar gereedschap. Als we mensen een last noemen, ontwerpen we beleid dat lasten verplaatst – naar tentenkampen, ontoereikende zorg en gesloten loketten. Noemen we hen newcomers, dan ontwerpen we routes naar school, werk en woning – omdat newcomers logischerwijs meedoen.
Zelfs wie principieel pleit voor een kleinschaliger asielstroom, heeft belang bij precieze, humane taal. Metaverhalen vol dreiging legitimeren polarisatie, vernauwen het compromis en verstikken bestuurlijke creativiteit. Het frame newcomer dwingt tot realisme: er is iemand gearriveerd. Wat nu? Die vraag appelleert aan verantwoordelijkheid, niet aan angst.
Een nieuwe term lost de opvangcrisis niet op. Daarvoor zijn stenen, leerkrachten en bestuurders nodig. Maar taal is wél de plek waar we besluiten of we bruggen bouwen of muren. Zoals schrijver Toni Morrison zei: “Oppressive language does more than represent violence; it is violence.”
Laten we dus taal kiezen die insluiting preludeert – niet omdat het zacht klinkt, maar omdat het harder werkt. Noem ze newcomers, geef ze een gezicht en een mogelijkheid. Alleen dan worden beleidscijfers weer mensen – en pretparken weer plekken waar je, ongeacht je paspoort, mag dromen over een sprookjesachtige toekomst.